Boeken | Wetenschappelijke Artikelen | Essays | Interviews

Recensies

De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang. Nijmegen (SUN) 1998

Jan Bor, in: Algemeen Dagblad, 19 juli 1999:

`Een jonge schilder toonde de grote impressionist Monet een keer een landschap met duidelijk de kenmerken van diens stijl. Monet vroeg: “En zie je de natuur echt zo?” ”Jazeker, meneer.” “Onmogelijk, beste kerel, dat is de manier waarop ik haar zie.” Ik heb dit uit de recent verschenen studie De druk van de beleving van Gerard Visser (SUN) met daarin een prachtig hoofdstuk over Monet. Eindelijk eens een boek waarin gedacht en niet alleen nagepraat wordt; een boek dat ook nog eens is geschreven vanuit een grote betrokkenheid (…).’


Eric de Smedt, in: lees idee, oktober 1999:

`Volgens de Duitse socioloog Gerhard Schulze leven we in het Westen in een belevenismaatschappij: we hebben de externe strijd om het overleven ingeruild voor een innerlijke oriŽntatie op individueel-esthetische waarden. Maar ook die oriŽntatie kent zijn eigen druk, die zorgt voor onzekerheid en teleurstelling. De beleving wil onverwijld het leven, terwijl het leven zich onder druk van deze voorwaarde niet geeft. De Leidse filosoof Gerard Visser gaat in een diepgravende studie na hoe dit huidige maatschappelijke verschijnsel zijn wortels heeft in de filosofie en kunst van de 19e eeuw. In de filosofische projecten van de levensfilosofen Nietzsche en Dilthey, die schoon schip wilden maken met een louter verstandelijke, objectiverende benadering van de werkelijkheid, blijkt de beleving al dubbelzinnig. Nietzsche onderkent dat in de pressie van de beleving een wil tot macht heerst. Bovendien is het de vraag in hoever iemands beleving zijn beleving is: de genius van de soort beheerst ons bewustzijn. Bij Dilthey staat de vraag naar het leven in het teken van het terugwinnen van een natuurlijke betrekking tussen mens en wereld. De beleving verwijst naar de in de tijdelijkheid verworven levenssamenhang, die de mens ook kan verzoenen met zijn eindigheid. In de plein air-schilderkunst van de impressionisten staat de levendigheid van de gewaarwording, de persoonlijke sensation, centraal. Monets droom was het de beleving van een landschap op een bepaald moment direct in de beschouwer te wekken. Maar ook hij ondervindt de weerstand die de natuur biedt; schilderij en serie verzelfstandigen zich ten opzichte van het landschap. Het kunstwerk wordt een stichten of maatgevend te voorschijn brengen van werkelijkheid. In die zin is ook de impressionistische schilderkunst een gebeuren van overgang en ondergang. Aan de hand van twee filosofen die onze tijd geschiedfilosofisch als een tijd van de beleving hebben begrepen, Benjamin en Heidegger, belicht de auteur het verband tussen maakbaarheid en beleving en de beleving als afweermiddel van het bewustzijn tegen het shockmatig worden van onze levenswerkelijkheid. In beide gevallen spelen de opkomst van de techniek en het warenkapitalisme een belangrijke rol. Elk op zijn manier, stellen beide filosofen de vraag naar een oorspronkelijker verhoudingswijze. De grondige vertrouwdheid met de denkwereld van de voorgestelde filosofen en met de schilderkunst van Claude Monet dwingen bewondering af. De omzichtige, systematische aanpak van de schrijver, de breedte van zijn gezichtsveld en de voortdurende nuancering van gedachten en begrippen, vragen een aandachtige lectuur. Maar het belang van het onderwerp, de grondigheid waarmee het wordt uitgediept en de rijke inzichten die De druk van de beleving brengt, maken de inspanning zeer de moeite waard. Een bijzondere vermelding verdienen het nauwkeurige personen- en zakenregister.’

Dr. Charles Vergeer, in: Filosofie Jrg. nr.1 februari/maart:

`In 1989 verscheen van de hand van Gerard Visser Nietzsche & Heidegger. Een confrontatie. Destijds las ik dat boek met veel interesse en in de loop der jaren bleek het een werk dat je zelden in de steek liet bij het raadplegen. Nu, tien jaar later, verscheen een tweede boek van Visser, een tweede deel bijna van de confrontatie tussen Nietzsche en Heidegger: De druk van de beleving. Ook dit een ongemeen rijk boek.
`Onder een ervaring verstaan wij vandaag een belevenis.’ De openingszin van het boek. Binnen de traditie van het denken golden ervaring en denken als de beide bronnen van onze kennis. Sinds Nietzsche wordt ervaring aan ons leven verbonden en wordt de ervaring een belevenis. Dat is merkwaardig want daarmee wordt de ervaring van schoonheid losgemaakt van het kunstwerk en verbonden aan het subject. Vanaf Plato werd de mens getroffen door de schoonheid van iets, zelfs de botte bruut was tegen deze hem overweldigende ervaring weerloos. Schoonheid verscheen en liet haar schijnsel op ons duistere bestaan vallen, of wij daar nu oog voor hadden of niet. Door het steeds verder naar voren dringen van het moderne subject lijkt schoonheid meer bij de kunstkenner dan bij het kunstwerk te horen. Schoonheid is niets, slechts de wijze waarop wij een kunstwerk ervaren is in tel. Die ervaring is subjectief, gebonden aan mijn leven en mijn wijze van beleven. `Onder ervaring verstaan wij vandaag een belevenis.’
Toch `doen’ wij ervaringen `op’en zeggen `wat we nu toch beleefd hebben’. We gebruiken de lijdende en niet de bedrijvende vorm en geven daarmee aan dat we onze ervaringen en belevenissen vooral ondergaan. Het subject is niet de heer van zijn ervaringen en belevenissen.
Een beleving, legt Visser uit, daarbij iets te zwaar leunend op de analoge betekenis van het Duitse`”Erlebnis”, impliceert in de eerste plaats wat Hegel de onmiddellijkheid noemde, het er zelf bij zijn. De ervaring als belevenis staat daarmee in verband met mijn eigen leven en heeft betekenis voor mij vanwege deze samenhang met mijn leven.
Het derde motief is “de onmogelijkheid om het gehalte van het beleefde met rationele middelen uit te putten”(p. 75) Uiteraard, ervaring en belevenis zijn afleggertjes van het empirische, het tegendeel van de ratio. Bij Nietzsche wordt de belevenis zelfs tegenover de hersenspinsels gezet.
Maar is het nu wel zo boeiend wat al die mensen, die Rembrandt met eigen ogen gezien hebben en dat “een hele belevenis” vonden, daarbij ervoeren? Is het leven werkelijk slechts een gelegenheid, en de laatste gelegenheid bovendien, om iets te beleven?
Al in zijn proefschrift, Nietzsche & Heidegger. poogde Gerard Visser de zijnsvraag van Heidegger te ervaren als een laatste consequentie van het denken van Nietzsche. In dit tweede boek wint Nietzsche duidelijk aan reliŽf. Naast en na hem verschijnen Dilthey en Benjamin. Over Benjamin wordt wel vaker iets geschreven in ons taalgebied, hoewel zelden zo indringend als hier gebeurt, maar over de boeiende figuur van Wilhelm Dilthey wordt bij ons toch vooral het zwijgen bewaard. Wie Visser volgt in diens uiteenzettingen over het denken van deze grote Duitser zal onder de ban van diens denken komen.
Hoogtepunt van het boek vind ik het derde hoofdstuk: “Het sterven van het landschap bij Monet”. Pas in dat hoofdstuk werd mij duidelijk waarom leven en beleven zo diepgaand doordacht werden terwijl de Vorlesungen Łber die ństhetik van Hegel zo op de achtergrond bleven. Monet deed wat voor Hegel ondenkbaar was.
Tenslotte komt Heidegger en hij komt bijna als de verliezer van de confrontatie. Van de zijnsvraag bespeur ik niet zoveel meer. Waar ik bijvoorbeeld Gadamer verwacht had, verschijnt dan Benjamin.
Aan het boek van Gerard Visser in een korte bespreking recht doen, is onmogelijk. Ik heb het gefascineerd gelezen, zowel omdat Visser een bijzonder goed stylist is en een ideaal docent, als vanwege de rijke inhoud van het boek. Juist over wat schoonheid is verschijnt meer geleuter dan iets zinnigs. Misschien dat we daarom ook zoveel lelijke dingen rondom ons tegenkomen.’